Tippi-Wan

Helemaal in de gloria ben ik. Sinds vanmorgen 10:52 uur hebben de zoon en ik een baby in da house. We noemen haar Tippie-Wan! (Jaja, naar de moordlustige nanny uit Gooische Vrouwen. Dat belooft wat!) 

Als ik de ruimte had gehad, zou ik een dierentuin in m’n achtertuin hebben. Helaas ontbreekt het mij aan ruimte, geld en kennis om een hele veestapel in leven te houden. Wat wel lukt is het kleinere spul. Om jullie geheugen op te frissen: Marie-Anthoinette mijn dwerghamster die 2,4 jaar oud mocht worden en vorig jaar april is bezweken aan een wangzakverzakking. Triest ja, ik ben er pas sinds kort overheen. 

Vlak na het overlijden van mama, nam ik 2 forpussen in huis. Kiwi en Lani, prachtige beestjes en ze zouden niet of nauwelijks geluid produceren. Dat is fijn, want ik kan slecht tegen gekrijs en geschreeuw van wie dan ook, dus ook niet van vogels. Kiwi en Lani hadden het reuze naar hun zin: ze vlogen los zodra ik thuis kwam en hadden hun eigen hoekje met klimgerei en speeltjes voor het raam. Grote kooi waar ze in konden verdwalen en zelfs een rondje in konden fladderen. 

Kiwi was semi-tam, die kon ik nog wel pakken als het nodig was. Lani niet. Die sperde zijn snavel al wagenwijd open zodra ik in de buurt kwam en hij had er geen moeite mee om mij tot bloedens toe te bijten. Maar goed, kan gebeuren. Samen zijn ze een hecht setje, die bij het krieken van de dag, middag en avond een krikje deden om de onderlinge band te verstevigen. Zouden veel mensen een voorbeeld aan kunnen nemen. 

Echter. Vogels zijn niet zindelijk. Dat weet ik, dat wist ik. Wat ik niet wist is dat forpussen met stip op 1 staan als zijnde de allerbeste schijtlijsters. On-ge-lo-ve-lijk! Als ze een wind lieten ging het al mis en vloog de zeer dunne forpusontlasting je om de oren. De gemiddelde man is er niets bij!

Maandelijks stond ik de muur naast en achter de kooi te sauzen. M’n laminaat was een glijbaan geworden als ik die niet wekelijks op m’n oude knietjes schoonmaakte. De grond rondom de kooi heb ik de laatste maanden ingepakt met karton om de vloer te redden. M’n vanmijnmoedergekregen kast: onder de forpusshit. De forpussen in kwestie hadden overigens geen enkele last hiervan: zodra ze kramp kregen, hopsakee kont naar achteren en lós!  

Gisteren nadat ik m’n rug weer eens gebroken had op de kooi en wijde omgeving van de kooi, was ik er helemaal klaar mee. Binnen een uur stonden mijn schijtlijsters op marktplaats en nog eens een uur laten waren ze gereserveerd. Dat zal ze leren! Kiwi en Lani komen in een volière bij parkieten en valkparkieten. Alle ruimte, lekker buiten en je kan nog eens van bil met een soortgenoot. Wat wil een forpus nog meer? Ze werden opgehaald en toen ging het mis…

De man die ze kwam halen vertelde dat hij jonge, hele jonge parkietjes had, die vandaag naar de winkel zouden gaan. Je raad het al: het mooiste, liefste en tamste baby parkietje zit nu bij mij! Aan huis gebracht door dezelfde man die Kiwi en Lani kwam halen. Kiwi en Lani hebben hun eerste nacht overleefd, alleen heeft hij Lani discreet los moeten maken, toen hij een parkietenpoot in z’n snavel had. ‘Gotsie, doet ie anders nooit,’ piepte ik. Kudtvogel. 


Ik ben blij. Een tamme parkiet is vele, vele malen gezelliger en ontspannender dat 2 schijtlijsters, waarvan de een je opvreet. De zoon is ook blij met een eigen Tippi-Wan en zat er al mee op z’n schouder te tutten. Jongste kwam op kraamvisite en Tippi storte bij hem in slaap in z’n nek. 

Welkom Tippi-Wan, ik hoop dat je heel oud mag worden! 

Knutselsmurf

Op zich is het hartstikke handig hoor, daar niet van. Een Verloofde te hebben met 2 rechterhanden. Een Verloofde die, als hij iets in zijn mooie hoofd heeft, dit ook vaak binnen de kortste keren, kan maken. En dat niet alleen: het werkt 9 van de 10 keer ook nog!

Zo heeft de Verloofde sinds een paar jaar een jacuzzi in de palmentuin. En ja, de Verloofde en ik bubbelen ons het rotje als de avond is gevallen en wij ons van niets of niemand iets aantrekken en verschansen onder de palmen in bad. Met onder handbereik iets te drinken (vis moet zwemmen, nietwaar?) en iets te eten in de vorm van een tapasje of toastje. Sfeerverlichting aan: niemand maakt ons wat.

Echter. Het klinkt allemaal wel leuk, romantisch en aardig, maar als het water van het bad onder de 30 graden is, dan is het fluks uit met de waterpret. Niets zo onromantisch om binnen 5 -10 minuten onderkoeld, stijf en met blauwe lippen in het koude water zitten te klappertanden. Gelukkig vindt de Verloofde dat ook en dus verzon hij een vernuftig stukje installatiewerktuig, om de temperatuur van ’t water flink te verhogen. 

Hadden we al een schuurdakje vol met water gevulde slangen liggen die door de zon verwarmt wordt, nog altijd lukte het niet om ook op mindere zonnige dagen de temp lekker hoog te krijgen. Dus ging mijn knutselsmurfje aan de slag.

Verloofde dook in de kruipruimte onder z’n Casa del Sol, haalde daar de resten van een oude kas tevoorschijn en verdween 2 dagen uit beeld. Vrijdag was het spectakel klaar en zaterdag stond het geheel op het schuurdakje te branden in de zon. Toen de Verloofde na een paar uur, de pomp aanzette om te kijken of het zou werken en hoe warm het water dan welniet zou zijn, schrokken we ons het rambam. ‘Snel het altijddreinendeenjankende buurmeisje uitnodigen!’ floepte ik eruit. De termometer gaf namelijk 80 graden sharp aan! 80 graden, hoe dan? 

Goed, lang verhaal kort: de Verloofde is niet alleen mooi, maar ook nog eens slim. Reteslim zelfs. Alleen hebben we nu een ander probleem nl: hoe krijgen we temperatuur van de jacuzzi dusdanig dat we er niet alleen blauw, onderkoeld en stijf de jacuzzi uitkomen? Nee, we vragen ons nu ook af, hoe we op een warme dag kunnen voorkomen dat we met 3e graads brandwonden worden opgenomen in Beverwijk. 80 graden! 

Dilemma mensen, dilemma. Het wordt waarschijnlijk een lange, h e t e zomer… 

Strijken

Ik trok nog net niet wit weg met m’n lichtbruine bekje, toen ik, voor ik m’n hakken in bed zwiepte, de stekker van de strijkbout nog in het stopcontact zag zitten. Het was inmiddels zondagavond iets na 23 uur.

Heel veel huishoudelijk talent of hobby’s heb ik niet en zonder te stotteren kan ik rustig hardop zeggen, dat strijken met stip onderaan staat. Niet dat ik het niet kan, maar omdat ik het gewoon stom werk vind. Ooit had ik een collega, die streek zelfs haar sokken, washandjes en onderbroeken. Alles wat gestreken kan worden, streek zij. Ze had als vrijgezel blijkbaar tijd zat en is toen ze trouwde verhuisd naar Urk. Zegt genoeg, lijkt me, ze strijkt inmiddels alweer vele jaren alles glad óp Urk, inclusief het drankprobleem van haar echtgenoot. Maar dat terzijde, ik dwaal enorm af. 

Van mijn vader zaliger kreeg ik ooit eens een strijkbout. Dezelfde als mijn moeder had, helemaal hip en hot, die hij had gespaard van de Shellzegeltjes en dus helemaal gratis ende voor niets mijn kant op kwam. Het was een weergaloos stukje vernuftig design, wat bol stond van de extra knopjes, spraystanden en zelfs met een beveiliging tegen doorbranden. Dat laatste leek mij wat overdreven, in mijn geval, want ik strijk alleen in uiterste nood en nooit langer dan strikt noodzakelijk en met een oxazepam onder m’n tong.

Om even uit de wereld te helpen dat uw Soof een lui mensenkind is, nee zeg!  Jongste was nog geen 3 toen ik kostwinner werd, omdat de huidige ex de wao in ging. Daarvoor werkte ik ook, maar minder en had ik meer tijd voor huishouden en aanverwante bezigheden. Toch is strijken nooit een hobby van me geweest. Natte was flink uitkloppen en strak ophangen. Als het droog is, niet wachten tot het afbreekt, maar vlot strák opvouwen en hopsakee de kast in. Niets aan de hand. Na een kwartier gebruiken van ongestreken dekbedovertrekken of dragen van t-shirt, onderbroeken, sokken of spijkerbroeken zie je er niets meer van. Soms streek ik wel hoor, zo erg is het nu ook weer niet. Over bloesjes van de jongens of mijzelf en linnen zomerse niemanddalletjes of andere absolute noodzakelijkheden, wilde ik nog wel eens een strijkbout trekken. Zo moeilijk is het niet. 

Bij de divorce heb ik 90% van de inboedel achter gelaten. Dom ja, maar veiligheid was toen belangrijker dan spullen. Wat ik wel meenam, was de strijkplank en de van mijn vader gekregen strijkbout. Onslow riep nog hoe hij dan moest strijken, maar vroeg zich verder niet af hoe ik dan moest koken, slapen, zitten, eten, stofzuigen, liggen en vriezen. Afijn, de strijkbout staat bij mij en nog altijd kraai ik ‘Victorie’ als ik weer eens strijk.

Zo hadden we zaterdag broer&zussendag. Voor de gelegenheid wilde ik een dun katoenen vestje meenemen, want het kan flink afkoelen op het strand. Dus streek ik zaterdag op mijn bed -de strijkplank staat in de kast en dient als kapstok- mijn dunne katoenen vestje even snel. Ik had nog haast ook, want op het laatste moment moest ik nog van alles en nog wat. Maar, vestje was gestreken en ik zou niet voor schut lopen die avond. Ik gooide nog wat andere kleding in een tas, ondergoed en sokken en draafde naar beneden. Na een knuffel van oudste verdween ik met een auto vol tuinstoelen, boodschappen en mijn vers gestreken vestje naar de Verloofde. Daaaaaag, fijne dag, tot morgen! 

Ruim 32 uur later staat mijn huisje er nog. De gillende brandweersirenes die ochtend waren voor een huis 4 straten verderop, zag ik op P2000 wat ik dan toch even controleer als ik bij de Verloofde ben. Het is een wonder, blijkt nu, want voor hetzelfde geld had mijn eigen optrekje afgefikt door de door mij vergeten stekker in het stopcontact van de strijkbout! Een strijkbout! Ik moet er niet aan denken, dat het kreng in brand had gevlogen omdat ik, dienooitstrijkt!, brand had veroorzaakt omdat ik ook eens een keer een vestje streek. De horror! 

Voor ik zondagavond in slaap viel, bedankte ik m’n lieve vadertje nog maar eens. Die pa van mij die was zo gek nog niet, met zijn strijkbout-cadeau met vernuftige snufjes inclusief de extraodinaire beveiliging tegen het doorbranden. 

Het vestje heb ik trouwens niet eens aan gehad. Het was veel te warm op het strand… 

Fatsoen

Wat ging er door je heen, toen je vanmiddag uiteindelijk thuis op de bank neer plofte? Was je moe na een dag werken? Of was je nog steeds volledig in je nopjes met jezelf, omdat je die ochtend een teammanager die de wachtlijst beheert zo grensoverschrijdend uitgekafferd hebt, waar je je als normaal mens, zou schamen voor je eigen handelen? Want dát was het: grensoverschrijdend. Ver buiten elke vorm van fatsoen, met naast jou een arts die het allemaal toeliet. 

De arts belde mij namelijk om verhaal te halen over een patiënt bij jullie op de afdeling. Dezelfde patiënt van wie wij al van voor het weekend wachten op informatie. Gaat de PICC-lijn er nu wel of niet uit? Nee, wij geven geen schimmeldodende medicatie IV, wel antibiotica maar dat niet. Tuurlijk bepalen wij ook lab, alleen niet iedere dag en nee, wij laten hem dus ook niet dagelijks heen en weer rijden naar het LUMC ziekenhuis om dit bij jullie te doen. Dan is meneer namelijk niet ‘medisch klaar’ en nog niet toe aan zijn revalidatie bij ons. 

Gisteren heeft mijn collega nog met jullie gesproken en afgestemd welke info we nog nodig hadden. En ja, gisteren hadden we nog bedden leeg en opname dagen open, maar dat veranderde daarna binnen 2 uur: alle reeds aangemelde patiënten waren medisch klaar en konden opgeroepen worden. Van jullie hoorden we niets…. en toen jullie eindelijk belde tegen 17 uur waren wij al naar huis.

De arts ging op zich nog wel. Tikje arrogant, maar dat maakt op mij geen indruk meer na meer dan 30 jaar werken in zorg. Dat hij niet blij werd van mijn mededeling dat meneer maandag de eerste is, gaat de arts fors tekeer: bespottelijk, idioot en bovenal onacceptabel. Het zij zo: de overige patiënten staan al langer aangemeld en wij hebben tevergeefs gewacht op uw informatie. Bedden reserveren doen we niet aan. 

Omdat de arts geen voet aan de grond krijgt bij mij, geeft hij de telefoon aan de verpleegkundige naast hem. Jij steekt direct van wal en doet er nog een schepje bovenop. Als jouw werkwijze ook geen poot aan de grond krijgt bij mij, verander je in een relnicht (ik heb geen poep in m’n oren namelijk) en haalt alles uit de kast; je gaat volkomen los op mij. 

Ik zou niet capabel zijn en jij acht het nodig om mij te adviseren om per omgaande ander werk te gaan zoeken. Weet je snotneus, ik heb net als jij ook aan het bed met m’n handen in de stront gestaan, omdat ik net als jij ook -nog steeds- verpleegkundige ben. Het grote verschil tussen jou en mij is echter, dat jij nog steeds met je handen in de stront staat en ik capabel genoeg was om door te groeien in mijn functie en nu teammanager kliniek ben. En, niet geheel onbelangrijk, ik functioneer gewoon hartstikke goed! Mijn teamleden zouden het niet in hun harses hoeven te halen, om zo te keer te gaan aan de telefoon tegen wiedanook! 

Jouw actie, waar ik nogal ziek van ben, zegt alles over jou en niets over mij. Dat de arts naast jou niet ingreep, zegt iets van de normen en waarden in jullie ziekenhuis. Toen jij na je tirade, waarin ik herhaaldelijk mijn grenzen aangaf en jou vertelde dat ik níet zo behandeld en aangesproken wilde worden, de telefoon weer aan de arts zou geven, besloot ik mijn grens te sluiten en verbrak ik de verbinding. De arts had een dode lijn aan zijn verwonderde oor. 

Dat ik de verbinding verbrak zegt iets over mij en niets over jullie: ik laat me niet als stront behandelen. Nu niet, nooit niet meer. Arme patiënt, arm ziekenhuis als jullie het moeten hebben van dit soort werknemers. 

Fossiel

‘Staan mijn juiste gegevens in het systeem?’ vraag ik, als ik me meld in het ziekenhuis voor het maken van foto’s van handen en voeten. ‘Ja mevrouw Soof, dat klopt allemaal,’ zegt de baliemedewerkster en omdat ook m’n adres zomaar klopt, haal ik opgelucht adem en neem plaats in de wachtkamer. 

Die ochtend zat ik bij de huisarts en vertelde van mijn al ruim een jaar bestaande klachten van stekende en pijnlijke vingers, tenen en knieën. Vanaf maandag jl. zwelt mijn rechter middelvinger op en omdat ik hem sinds gisterenochtend ook niet meer kan buigen, vond ik het welletjes: een afspraak bij de huisarts werd gemaakt. Ook heb ik al tijden pijn in 2 tenen: er is niets aan te zien maar ze steken als een razende en de gewrichtjes doen pijn bij aanraken. 

Vanmorgen bij de huisarts duw ik mijn stijve opgestoken middelvinger onder haar neus en vertel wat er loos is. Ze knikt, ze drukt, ze vraagt, ze buigt, trekt en knijpt. Hoogste tijd voor foto’s van al mijn uitstekende ledematen en uitgebreid bloedonderzoek. 

‘Vort met de goat,’ dacht ik en dus zat ik vanmiddag al in het LUMC voor de foto’s. De eerste keer na de divorce dat ik daar weer als patiënt kom, dus belangrijk om nadrukkelijk na te vragen of mijn nieuwe, goede gegevens in het systeem staan. Ja dat staan ze, dus ik ging ontspannen zitten wachten. Pomtiedompom. 

Na een minuut of 15 wordt er een deur opengetrokken waarna luidkeels door de wachtkamer ‘Mevrouw Onslow’ klinkt. Ik doe net of ik gek ben. Die naam komt namelijk zo veel voor hier in Kuytwijk; er heten meer hondjes Fikkie. ‘Me-vrouw-On-slow,’ klinkt het nog net even harder en nadrukkelijker. Gotsie! Het zweet breekt me uit.

‘Zou het misschien mevrouw Soof kunnen zijn?’ vraag ik geërgerd, terwijl de ganse wachtkamer z/haar ogen op mij richt. ‘Oh ja dat zou kunnen, dat is de 2e naam die er staat.’ Terwijl ik m’n jas en tas bij elkaar gris zeg ik, terwijl nog steeds de ganse wachtkamer mij aanstaart, dat ik nog zó gevraagd heb of mijn juiste gegevens in het systeem staan! ‘Ik heb een trauma van die naam!’ roep ik ondertussen de deur van de omkleedcabine dichtgooiende. 

Meneer verontschuldigt zich en adviseert mij beneden bij de inschrijfbalie langs te gaan. Het is een vriendelijke man en hij kan er ook niets aan doen. Ik bespaar me de moeite om zijn ogen uit te steken en een knoop in zijn bril te leggen. Adem in, adem uit. De foto’s worden gemaakt en ik trek ten strijde naar de inschrijfbalie. 

Mevrouw van de balie beaamt dat ik nog als mevrouw Onslow in het systeem sta. ‘Nou dat klopt dus niet, want het moet Soof zijn.’ ‘Is Onslow de naam van uw man?’ mekkert mevrouw verder, als ware ik de eerste en enige vrouw die gescheiden is. ‘Dat. Is. Mijn. Man. Niet. Meer,’ articuleer ik zodanig dat de rest van de vragen een vroege dood op haar lippen sterft. Het licht is aan, halleluja! 

Omdat ik er nu toch ben, wil ze meteen alles van me weten. ‘Nog steeds de helft van een tweeling?’ Huh? Ja natuurlijk, dat ben je of dat ben je niet. Je wordt niet op een ochtend wakker en de tweelingzus blijkt Fatima Morgana te zijn geweest. Rare vraag, maar zal wel aan mij liggen. 06 klopt en nee, ik heb niet nóg een 06 nummer! Zucht. ‘Uw e-mailadres graag?’ Want? Ik heb geen zin in nog meer e-mails, het lijkt me voldoende dat ze mijn adres en 06 al hebben. Ze vindt er het hare van, maar laat het zo. 

‘Dat was het? vraag ik, als ik ook m’n apotheek een tandarts (wtf?) heb doorgegeven. ‘Bijna, alleen nog even een foto.’ ‘Gaat u daar maar zitten en kijk even naar de camera,’ sommeert het mens. ‘Want?’ vraag ik wederom. ‘Nou die komt in uw dossier en dan kan de arts als hij uw dossier leest precies zien wie u bent en een tissue pakken tegen het spetteren voor hij u uit de wachtkamer haalt. ‘Mijn ervaring is dat specialisten pas het dossier lezen als ik reeds voor ze zit, dus een foto lijkt mij niet nodig,’ reageer ik rete assertief. Een foto maken die tot mijn deaud in het elektronisch patiënten dossier blijft staan, terwijl ik een uitgroei op m’n hoofd heb ter grote van een hele duiventil! Hoe komen ze erbij? Naast mij hoor ik totaal onvoorbereid als lamme schapen de ene na de andere potentiële patiënt een foto van zich laten maken. Denk na mensen, denk na! 

‘Zolang ik niet ben opgenomen vind ik een foto niet nodig,’ meld ik ten overvloede. ‘Het is ook niet verplicht,’ piept Mens. Kijk, dat had ze moeten zeggen voor ze de discussie aan ging met me. Ik krijg nog een print van al mijn juiste (!) gegevens en voor ik naar huis ga, schiet ik eerst maar even een toilet in na zoveel gezeik.

Op weg naar huis ben ik trots op mezelf. Ik leer om niet overal meer klakkeloos ja en amen op te zeggen, maar mag er iets van vinden en sterker nog: ik mag gewoon ‘nee’ zeggen als ik dat wil! Wha, ik word niet naar m’n strot gevlogen, er vliegen geen voorwerpen naar m’n hoofd en m’n huid wordt niet volgekrijst: ik mag en kan gewoon ‘nee’ zeggen. M’n therapeut zal trots op me zijn! Vooral ben ik trots op mezelf: ik kom er wel. 

Morgen bloed prikken, eens kijken of ik daar goed in het systeem sta… 

Raar 

Hoewel ik doorgaans weinig tot geen afwijkend gedrag vertoon, gaat er ergens toch iets mis. Je ziet het niet, ík zie het niet en sterker nog, ik voel het ook niet. Toch gaat het mis. Wat is er aan de hand?

Nou het zit zo. Niet lachen aub. Al geruime tijd draait de linker broekspijp van mijn broeken naar binnen. Hoe strakker de broek, hoe meer de pijp naar binnen draait. Om ramgek van te worden. In het begin dacht ik nog, dat het aan de broek lag. Verkeerd geknipt en in elkaar gezet. Dat zou zomaar kunnen, gebeurt met bloesjes en andere kledingstukken ook wel eens. Dat merk je dan pas na een paar keer wassen, als het rugpand halverwege je buik en boezem zit en het voorpand op je billen hangt. Tegenwoordig ben ik daar erg alert op, ieder t-shirt of wat erop lijkt, bekijk ik nauwkeurig en houd ik tegen het licht of het niemandalletje niet scheef in elkaar is genaaid. Zal mij niet gebeuren meer. Wha!

Met broeken is het anders. Bij het passen mankeert er niets aan. Zolang ik niet op m’n rug in het pashokje lig te kronkelen om de broek dicht te snoeren en na het passen bij het uittrekken van de aan te schaffen broek, ook m’n onderbroek niet meteen spoorloos verdwijnt, ben ik allang blij. Voorwaarde is, dat ik erin moet kunnen zitten. Staand lijken alle broeken al snel te passen, maar als je eierstokken in je hals kruipen zodra je ermee gaat zitten, is de broek voor mij te krap. Ik kan er niet tegen. 

Afijn. Is de broek eenmaal gekocht dan kan ik er donder op zeggen dat het binnen een paar weken mis gaat. De linker pijp begint een eigen leven te leiden en trekt naar binnen. Horror mensen, horror! Als ik nu net als onze schoenmaker van vroeger een klompvoet, waterbeen of andere aangeboren afwijking zou hebben, dan zou ik het nog snappen. Dan trekt het been en dan trekt dus ook de pijp. 

Aan mijn been mankeert echter niets. Nou ja, niets zichtbaars. Ik loop als een jonge gnoe zonder over m’n eigen voeten te struikelen. Ook vind ik op onbewaakte ogenblikken mijn linker been niet onverwacht in een stand terug, waarin het niet geboren is. Been zwaait niet uit tijdens het lopen; been doet geen pijn; been heeft geen trekkingen, been is spatader-vrij, heeft geen klutsknie, kalknagels, eelthiel, hamertenen of andere onvolkomenheden. Maar toch. De linker broekspijp draait naar binnen. Altijd. Overal. Dat is toch raar?! 

Wat nu? Ik ben al een keer met een broek teruggegaan en heb gevraagd of er meer mensen zijn die hier last van hebben. Nee dus. Nah jah, zelden. En dan zeker niet bij alle broeken mevrouw, dat kan niet aan de broeken liggen. Dat is idioot. Mijn been doet raar en ik merk er niets van! Je kan voor minder worden opgesloten tegenwoordig, dus het wordt nog oppassen geblazen ook. 

Misschien is het een teken dat ik als echt meisje eindelijk eens aan de rokken moet. Gewoon lekker degelijk en makkelijk. Hoewel het me niet zou verbazen als die ook zouden gaan draaien; heb ik weer. Ik heb een hekel aan rokken, draag ze alleen als ik ontoerekeningsvatbaar ben en dan nooit langer dan een paar uur achter elkaar. Ook raar ja, ik weet het. Ondertussen zit ik ermee. Wie het weet mag het zeggen. 

Ontlurkdag

Landgenoten. Vandaar is het nationale ontlurkdag. 29 april is ooit door Kliefje uitgeroepen tot ontlurkdag in Blogland. Normaliter ben ik niet zo van achter de kudde aan, maar dit is waarlijk iets anders en daarom doe ik, doe-eens-gek, mee! 

Ik heb het ooit wel eens eerder gevraagd op mijn oude blog, maar hier nog nooit. Aan m’n statistieken te zien, heb ik veel bezoekjes van lezers waarvan slechts een deel reageert. Let wel: ik ben erg blij met alle lieve, meelevende en hartelijke reacties, maar vraag me ook regelmatig af, wie de mensen zijn die hier alleen voorbij komen. 

Lang verhaal kort: vandaag mag je onder jouw steen vandaan en vertellen wie je bent. Als je dan toch bezig bent, wil ik ook graag weten hoe je bij Soof terecht bent gekomen. En heb je nog een leuk onderwerp waarover ik echt een keer moet bloggen: ik hoor het graag.

Roept u maar!